Oorlog en terpentijn - Stefan Hertmans

16-07-2020

Het verhaal van een kleine held in de Grote Oorlog die ervan droomde kunstenaar te worden.


De grootvader van de schrijver, Stefan Hertmans, gaf hem in de jaren tachtig van de vorige eeuw vlak voor zijn dood enkele oude schriften, volgeschreven in zijn vooroorlogse handschrift. Naar eigen zeggen, durfde de schrijver jarenlang de schriften niet te openen. Tot hij het toch deed en onvermoede geheimen vond.

Gebaseerd op de dagboeken van zijn grootvader, schrijft Stefan Hertmans een meesterlijke en aangrijpende roman over het leven van zijn grootvader.

Zoals zijn grootvader schreef met kleuren, schildert Stefan Hertmans met woorden.


'De verste herinnering die ik aan mijn grootvader heb, is die aan het strand van Oostende - een man van zesenzestig, keurig in het nachtblauwe pak, heeft met de blauwe strandschep van zijn kleinzoon een ondiepe put gegraven waarvan hij de opgeworpen rand heeft afgeplat, zodat hij en zijn vrouw daar enigszins gerieflijk kunnen gaan zitten.' 


Zo begint deze magistrale roman aan het strand van Oostende. Deze eerste zin heeft direct mijn aandacht omdat ik kort geleden het boek 'Kamer in Oostende' van Koen Peeters heb gelezen. Wat zijn opa die dag ziet, zou zo maar een levend schilderij van James Ensor kunnen zijn. Zijn opa loopt niet hoog op met bekende Oostendse schilder met de Engelse naam. 'Een klakpotter is het. Geen benul van fijnschilderen, van alle subtiele aspecten van de vroegere, edele schildersstiel. Ze rommelen maar wat aan, respecteren de wetten van de anatomie niet meer, weten niet eens hoe ze een glacis moeten leggen, mengen nooit meer zelf hun verf, gebruiken terpentijn alsof het water is, hebben geen weet van de geheimen van eigenhandig fijngestampt pigment, van fijne lijnolie of het aanblazen van siccatief.' Er bestaan geen grote schilders meer.

Zijn opa heeft leren schilderen van zijn vader, Franciscus Martien, een 'kerkenschilder'. Zijn moeder, Céline Andries had 'mogen' studeren. Haar ouders waren handelaars in granen en aardappelen. De welopgevoede Céline krijgt haar zin - na maanden van ruzies met haar ouders - en haar armoedige schilder.

Door haar verliefdheid en huwelijk met de straatarme en aan astma lijdende kerkenschilder vervalt de trotse Céline tot een bestaan van sloven en moeizaam de eindjes aan elkaar knopen. In dat gezin wordt de opa van de auteur geboren, Urbain Martien. Een huwelijk uit liefde, dat wel en zo arm als Job.

'Meer dan dertig jaar heb ik de schriften, waarin hij zorgvuldig, in zijn weergaloze vooroorlogse handschrift, zijn herinneringen had neergeschreven, bewaard en gesloten gehouden; hij heeft ze me gegeven enkele maanden voor zijn dood in 1981. Hij was toen negentig jaar. Hij was geboren in 1891, zijn leven leek niet meer geweest te zijn dan het over elkaar heen springen van twee cijfers in een jaartal. Tussen die twee jaartallen lagen twee oorlogen, rampzalige massaslachtingen, de meest hardvochtige eeuw uit de hele mensengeschiedenis, het ontstaan en de neergang van de moderne kunst, de wereldwijde expansie van de motorenindustrie, de Koude Oorlog, de opkomst en de neergang van de grote ideologieën, de uitvinding van bakeliet, de popularisering van telefoon en saxofoon, de industrialisering, de filmindustrie, het plastic, de jazz, de vliegtuigindustrie, de landing op de maan, het uitsterven van talloze diersoorten, de eerste grote ecologische rampen, de ontwikkeling van penicilline en antibiotica, mei '68, het eerste Rapport van de Club van Rome, de popmuziek, de uitvinding van de pil, de vrouwenemancipatie, de opkomst van de televisie, van de eerste computers - en zijn lange leven als vergeten oorlogsheld...

Een leven dat bijna een eeuw omspant en dat begon op een andere planeet. Een planeet van dorpen, veldwegen, paardenkoetsen, gaslampen, wasteilen, bidprentjes, oude wandkasten, een tijd waarin vrouwen bejaard waren op hun veertigste, een tijd van almachtige pastoors die naar sigaren en ongewassen ondergoed roken, van weerspannige burgermeisjes in nonnenkloosters, een tijd van grootseminaries, bisschoppelijke en keizerlijke verordeningen, een tijd die aan zijn lange doodsstrijd begon toen de kleine groezelige Serviër Gavrilo Princip in 1914 met een niet eens zo welgemikt schot de schone illusie van het oude Europa aan flarden schoot en daarmee aanleiding gaf tot de catastrofe die ook hem, mijn kleine blauwogige grootvader, zou treffen en zijn leven voorgoed zou beheersen.'

Het is het leven dat zijn grootvader hem vroeg te beschrijven door hem die cahiers toe te vertrouwen. Zo wil de schrijver ons overtuigen van de echtheid van wat hij schrijft. Dat het over feiten gaat, waarheid. En de auteur doet er uiteindelijk zijn eigen ding mee. Want bijna nergens lezen we - op pagina 95 en pagina 119-127 uitgezonderd - een rechtstreeks citaat uit de oude schriften. Het is een schrijverstruc die werkt. Natuurlijk bestaan de schriftjes. Ze zijn zorgvuldig bewerkt en herwerkt tot een roman die dertig jaar later wordt uitgegeven, net voor 2014, het jaar van de herdenking van de Grote Oorlog. Dat de schrijver wil meeliften op de toegenomen belangstelling voor WOI lijkt nogal zonneklaar. Enig marktrealisme is hem niet vreemd. Dat neemt niet weg dat het een schitterende roman is.

De roman bestaat uit drie delen. In het eerste deel is de 'ik-figuur' de schrijver die vertelt over de jeugd van zijn grootvader. Het eerste deel van het boek heb ik niet altijd het gevoel in een verhaal te zitten. Af en toe passeren woorden die ik niet ken. Het komt mijn leesplezier niet ten goede. Maar deel II en III van het boek maken dit helemaal goed!

Het boek geeft een goed beeld van de sociale verhoudingen in het katholieke Vlaanderen. De armoede van de Vlaamse gezinnen tegenover de Franse bourgeoisie in Gent. De vernederende armoede die de gevoelige jongen die zijn grootvader was, heeft getekend. Het boek bevat interessante beschrijvingen over de Kouter in Gent, het Sint-Pietersplein, over de gebouwen die er toen stonden en de overblijfselen die nu nog te zien zijn. Alleen al daarom een must-read voor iedereen die van Gent houdt.

De mythe van 'aan het front, één natie' wordt ook hier doorprikt net als in de grote roman van Pat Barker 'Weg der geesten'. In de oorlog bleven de klassenverschillen gewoon bestaan.

De schrijver put uit veel jeugdherinneringen en verhalen over de oorlog. Verhalen om te vergeten maar ze kwamen steeds terug. Ook verhalen over kunst en kunstenaars.

Zo speelt de Venus van Velázquez een grote rol in het verhaal. Laat ik onlangs een boek gelezen hebben met dat schilderij op de cover en waarin dat schilderij een prominente plaats inneemt -'Watermans rapsodie' van Anne Wiering.


In deel II zitten we in de loopgraven aan het front. De ik-persoon is hier de opa van de auteur. Op 5 augustus 1904 wordt Urbain 'opgeëist'. Hij heeft vier jaar opleiding gehad aan de militaire school. Hij kan gehoorzamen zonder verpinken, kan uren stilstaan in de regen en de kou. Tijdens de opeising heerst er een soort giechelachtige verbazing onder de jongens. De verwachting is van tegen Kerstmis weer thuis te zijn. De helse machinerie van de Duitsers overspoelt de nietsvermoedende Belgen. Dan wordt de hel van de loopgraven beschreven, de modder, het nietsdoen, het geweervuur, de doden, de stank.

In deel III gaat het leven na de oorlog verder. Of toch niet, niet helemaal. Na de oorlog wordt zijn verloofde, Maria Emelia, ziek en sterft. Hij trouwt met de alleen overgebleven, schuwe en zwijgzame zus, Gabrielle, een muurbloempje. Er werd hem door (schoon)vader Ghys met aandrang gevraagd de familie toch niet in de steek te laten. Urbain begrijpt de boodschap. De plicht roept hem. Ook dit keer gehoorzaamt hij.

Het boek is vooral een uniek tijdsvenster dat inkijk geeft op een tijdperk die wij niet hebben meegemaakt, het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw, de eerste Grote Oorlog, het interbellum en verder.

Schitterend geschreven!

Wil je meer goede boeken lezen over WOI?

Lees dan de trilogie 'Weg der geesten' van Pat Barker waarin vooral de psychologische gevolgen van de oorlog worden beschreven.