De luiaards in de vruchtbare vallei - Albert Cossery

19-03-2021

De personages in dit boek beheersen de kunst van het nietsdoen. Het dagelijks leven wordt vanop een afstand gadegeslaan. Kostelijk en geamuseerd. Wie verstandig is onttrekt zich aan het gewoel en dompelt zich onder in weldadige rust. 


Een filosofisch boek uit 1947. Heruitgegeven door Uitgeverij Jurgen MAAS die eerder al Grote dieven, kleine dieven van dezelfde auteur opnieuw uitgaf. Uit het Frans vertaald door Mirjam de Veth en door haar van een interessant nawoord voorzien.

'De zon was nauwelijks zichtbaar achter de zware wolken die er voortdurend langs joegen. Het was een winters zonnetje, onnatuurlijk, stralend zonder warmte. Zo nu en dan vlaagde een koude wind over de uitgestrekte velden, die rimpelend door de hoge stengels van de maïsplanten streek. Dan was het of het hele platteland werd opgestuwd door een golf en daarna langzaam terugzonk, weer verviel tot droefgeestige troosteloosheid.'


Net zoals het landschap terugzinkt in droefgeestige troosteloosheid, bevinden de mensen van het gezin van vader Hafiz zich in een toestand van lethargische troosteloosheid. Ze brengen zo veel mogelijk tijd al slapend door.

De oudste zoon Galaal slaapt al zeven jaar en wordt alleen wakker om te eten. Ook Rafiek laat zich het liefst door zo weinig mogelijk in beweging brengen. Het is een familiegave die wordt gekoesterd en hoog gehouden. Ook door de inwonende oom Mustafa.

Alleen de jongste zoon Siraag is een buitenbeentje. Hij overweegt om werk te zoeken en weg te trekken. Maar alleen die overweging uitspreken is zeer gewaagd want hij wordt het mikpunt van de spot van zijn vader en zijn broers.

Vrouwen hebben geen toegang tot het leven en het huis van de familie want stel je voor dat een vrouw binnen halen betekent dat de mannen tot meer activiteit worden aangespoord. Dat zou een grote tragedie zijn! Daarom heeft een van de broers zelfs een huwelijk afgeblazen. Stel je voor dat een vrouw in huis de wens zou uiten om actiever te worden. Wanneer de oude vader toch wil huwen, stellen de broers dan ook alles in het werk om dat huwelijk te doen afblazen. De enige vrouw die toegang heeft tot het huis is Hoda, een jong meisje, dat het huishouden probeert te doen door tussen de slapende mannen te laveren en hen niet wakker te maken. En tegelijk hun grijpgrage handen weet te ontwijken wanneer ze toch wakker zijn. Maar veel aan seks wordt er niet gedaan want ook die activiteit is een inbreuk op de slaap.

Chronische slaperigheid, het is een bewuste keuze. Rafiek zegt:

'De menselijke domheid was onmetelijk. Waarom maakten ze zich toch zo druk, eeuwig prikkelbaar en ontevreden, terwijl de enige waarheid juist gelegen was in een onverschillige, passieve houding? Het was toch zo eenvoudig. Dat kon de eerste de beste bedelaar nog begrijpen!'

Buiten is er alleen veel nutteloos bedrijf, hartverscheurende domheid en nietsontziende gemeenheid. Wat rest een mens dan? De slaap, een staat van genade.

'Wie verstandig is zal zich onttrekken aan het gewoel en zich onderdompelen in welddadige rust.'

Al snel in het boek wordt duidelijk dat het hier niet om het verhaal gaat, maar dat de schrijver ons hier iets wil meedelen. Door de dingen uit te vergroten, in het absurde te trekken, maakt de schrijver ons bepaalde opvattingen duidelijk.

Het boek begint met een jongen die geconcentreerd met zijn katapult op jacht gaat. Siraag slaat de opgewonden jongen gade.

'In de waanzinnige opwinding van de jongen herkende Siraag alle kenmerken van een zwoegende, opgejaagde mensheid. Nog nooit was de wereld van de tot slavernij gedoemde mensen met zo'n vreemde kracht tot hem doorgedrongen.'

Hier zijn we er: de ambitieuze werkende (westerse) mensheid die nooit genoeg heeft. In de Oriënt is het ondenkbaar dat iemand die genoeg geld heeft nog werkt, de westerling daarentegen heeft nooit genoeg. Werken - te veel werken - leidt alleen maar tot ellende. Ambitie is de oorzaak van alle ellende in de wereld. Wie niets anders van het leven verwacht dan gewoonweg genieten van het bestaan, is werkelijk vrij. Hij kan niet gemanipuleerd worden door machthebbers. Afstandelijkheid en humor maakt een mens vrij.

Ik vraag mij af wat Cossery (3 november 1913 - 22 juni 2008) over onze tijd zou schrijven, mocht hij nog leven. Over een tijd waarin de overheid zo veel mogelijk jobs wil creëren en mensen wil stimuleren zo veel mogelijk (lokaal) te consumeren.

Zijn boek is een pleidooi voor het nietsdoen, het lummelen. In elk geval stelt alleen nietsdoen een mens in staat om na te denken en te observeren.

Siraag, de jongste zoon, is nog de meest actieve van het stel. Hij trekt er geregeld op uit maar die uitstapjes kosten hem veel energie.

'De slaap in het boek is eigenlijk een metafoor voor het weigeren om mee te doen aan de race naar bezit en maatschappelijk succes.'

Cossery schrijft in een heldere, sobere stijl. Dat maakt dat het treffend binnen komt. Geen tierlantijntjes, weinig adjectieven.

Hij wordt ook wel 'de Voltaire van de Nijl' genoemd. Een beetje een 'anarchist' of toch wel heel vrijdenkend. In elk geval leefde hij volgens zijn opvattingen. In zijn familie was men niet rijk maar wel welgesteld genoeg om niet te hoeven werken. Zijn vader rentenierde en verkocht af en toe een lapje grond als er geld nodig was. Aan het eind van zijn leven was het op. Niet werken, vrij zijn, uitslapen, het zijn dingen waarmee hij als kind is opgegroeid.

Als volwassene heeft hij jarenlang gewoond in een hotelkamer. Verplichtingen als een eigen huis, auto, gezin, daardoor heeft hij zich niet laten opjutten.

Hij is geboren in Egypte, op 3 november 1913, in Caïro. Zijn beide ouders zijn Egyptenaren. Het verhaal speelt zich ook af op het platteland in Egypte. Dus hij schrijft wat hij goed kent.

Hij heeft geen omvangrijk oeuvre: slechts een verhalenbundel en zeven romans. Acht boeken in ruim zestig jaar, dat is misschien 'een gemiddelde van één regel per week'. Ook in het schrijven heeft hij vastgehouden aan zijn opvattingen: spaarzaam schrijven. Maar ook wanneer hij niet schrijft, is hij bezig. Dan gebeurt er van alles in zijn hoofd. En zo werkte hij altijd. Maar ondanks zijn spaarzaamheid is zijn oeuvre ijzersterk. Of misschien, dankzij zijn spaarzaam schrijven, is zijn oeuvre ijzersterk.


Bron: Nawoord door Mirjam de Veth