De Avonden - Gerard Reve

28-11-2020

De vroege morgen van 22 december 1946. Op de eerste verdieping in het huis Schilderskade 66 ontwaakt de held van het verhaal: Frits Egters. Hij is op dat moment 23 jaar. Tien dagen in het leven van een jonge adolescent in de stad Amsterdam net na WOII.  

Tien dagen van 22 december tot het einde van het oude jaar. Die tien dagen zijn uitgesmeerd over 222 pagina's. Toch knap voor een roman waarin niets gebeurt. Het is hier snel duidelijk dat het niet over het verhaal gaat. Hier wordt een sfeer weergegeven, een allesoverheersende gevoel dat bij veel jonge mensen van die generatie leefde. 

De leegheid en zinloosheid van het bestaan schreeuwen je vanaf elke pagina tegemoet. 

Voor jongeren zoals Frits Egters was het toen erg moeilijk. De oorlog had hun jeugdige idealen volledig omver gegooid. Nergens in het boek wordt gesproken over de oorlog die pas voorbij was. De stilte is oorverdovend. Toch werd van hen verwacht dat ze hun weg in het leven zochten.

Het boek verscheen in 1947 en werd sterk bekritiseerd. Sommigen noemden het zelfs 'mensonterend' proza en vonden het getuigen van een zieke, verdorven geest. Al in 1946 werd het manuscript bekroond met de Reina Prinsen Geerligsprijs. De jury besloot:

"Het is een boek dat uitbeeldt wat de tijd, die alle illusies vermoordde, de jeugd heeft aangedaan." 


Bij velen die het boek sindsdien gelezen hebben, is het in de smaak gevallen. Zo ook bij mij. Ik kan het alleen maar aanbevelen. Het boek behoort tot de Literaire Canon van de Nederlandstalige Literatuur en staat niet voor niets in de catalogus van '1001 boeken die je gelezen moet hebben'


Frits wordt elke ochtend vroeg wakker. Hij staat op en ontbijt. Gaat naar zijn werk. Een saaie kantoorbaan met lange uren. 's Avonds eet hij bij zijn ouders en vertrekt daarna naar vrienden. 's Nachts droomt hij enge dromen.

Het lijkt of er weinig afwisseling zit in het eten dat op het bord wordt geschept. Steevast ajuin met aardappelen en jus. Vaak met stokvis en roze vla als dessert. Voedsel is nog steeds op de bon.

Nog iets dat op de bon is, is kolen. Op zolder liggen de kolen. Frits dient ze vaak boven op zolder te gaan halen maar is bang in het donker. De kachel aansteken en brandende houden, het is een groot probleem in het boek. In bevrijd Nederland is het moeilijk je warm te houden. Zelfs in de krappe woningen.

De ondertitel van het boek is 'Een winterverhaal' en wie daarbij denkt aan gezellige winteravonden met Kerstmis en Nieuwjaar als feesten erin, is eraan voor de moeite. Gerard Reve zet vooral een sfeer neer. De verveling, de lange saaie avonden. Alles is grijs, grauw en terneerdrukkend. 

Ook zijn ouders. Hij ergert zich mateloos aan zijn beide ouders. Zijn vader is hardhorig en Frits ergert zich aan zijn tafelmanieren. Met zijn moeder heeft hij soms medelijden, afgewisseld met ergernis.

'Toen hij thuiskwam, vond hij zijn moeder duttend in de leunstoel. Hij bekeek haar en zei in zichzelf, geluidloos de mond bewegend: "Ik voel me vandaag beroerd. Maar laat ons om ons heen zien. Sommige mensen worden reeds bij het begin van hun leven zwaar gestraft: zij worden als vrouw geboren. Frits van Egters, wijsgeer. Bladzijde tweeëntachtig."'


Onze hoofdpersoon moet dan ook alles in de strijd gooien om de verveling tegen te gaan. Hij gedraagt zich vaak onsympathiek en weet in dialogen met vrienden zout op de wonden te leggen van het menselijk leed en verval. Hij praat ook vaak zachtjes tegen zichzelf. Zijn innerlijke dialogen, de voortdurende stem in zijn hoofd die op alles en iedereen commentaar geeft, is eigenlijk dolkomisch. Ook de scène waarin zijn moeder een fles wijn heeft gekocht om de avond van Oudjaar wat feestelijk te maken is eigenlijk zeer tragikomisch. Blijkt dat ze zich een fles bessen-appelsap heeft laten aansmeren.

Frits is geobsedeerd door tijd, het verstrijken van de tijd en door kaalheid, kaal worden, uiterlijke tekenen van het verval van de man.

Op het einde van het boek vindt Frits de kracht om zijn ouders te vergeven.

Het boek eindigt met de zin:

'Het is gezien,' mompelde hij, 'het is niet onopgemerkt gebleven.'

Maar wat gezien is en wat niet onopgemerkt gebleven is, is mij nog niet onmiddellijk duidelijk. En zo geven De Avonden nog niet al hun geheimen prijs.